Op 30 september verscheen de publicatie ‘
Het interieur van de Utrechtse
Domkerk. Vernieuwing in het interbellum’. Het boek behandelt de
vernieuwing van de aankleding, meubilering en kunstwerken van de Domkerk
tijdens het interbellum. Theo Kralt is auteur en, samen met auteur
Johan Carel Bierens de Haan, eindredacteur van het boek. ‘Het is zo mooi
geworden omdat de kerkvoogdij de goede mensen heeft aangetrokken die
rekening hielden met de kunststromingen in die tijd en er bij de
restauratie ook voor zorgden dat het paste in een gotische kerk uit de
dertiende eeuw.’
Er zijn volgens Theo Kralt twee redenen geweest
voor het verschijnen van het boek over het interieur van de Domkerk.
‘Allereerst het verwerven van een voorontwerp van het Evangelistenraam
in 2023. Dat hebben we laten restaureren en dat hangt nu boven de grote
toegangsdeuren van de Domkerk. En twee glaspanelen van Roland Holst van
omstreeks 1925. En, ten tweede, de restauratie van het interieur van de
Domkerk in 2024 en 2025. Daarvoor hebben we in 2023 bij het Rijk een
aanvraag ingediend van bijna 1.000.000 euro voor onderhoud en
restauratie waaronder het interieur. Hiervoor hebben we 600.000 euro
ontvangen en 40% moesten we zelf bekostigen. Daarmee hebben we onder
meer al het houtwerk van het interieur van de kerk laten opknappen en
toen de restauratie voltooid was vonden we dat het interieur met zijn
bijzondere geschiedenis wel een boek waardig was.’
Theo Kralt
heeft zelf het voorwoord geschreven en de hoofdstukken over de
voorstudie voor het evangelistenraam, het oudtestamentische raam en de
restauratie van de Domkerk in 2019-2022. Andere auteurs hebben
hoofdstukken geschreven over onder meer het meubilair van Willem Penaat,
het werk van de beeldhouwers Anton Fortuin en Oswald Wenckebach en de
rol van theoloog Annéus Brouwer bij het evangelistenraam.
Het
huidige interieur van de Domkerk is circa honderd jaar geleden tot stand
gekomen, vertelt Kralt. ‘Opdrachtgever voor de restauratie van de
Domkerk was de Nederlands Hervormde Kerkvoogdij. Voorzitter van de
kerkvoogdij was Willem Cornelis baron Röell. En het was de kerkvoogdij
die in 1919 Dirk Frederik Slothouwer benoemde tot restauratiearchitect
van de Domkerk. En dat was een gouden greep. Want toen Slothouwer hoorde
van de plannen van de kerkvoogdij voor twee grote kerkramen, de
grootste kerkramen van Nederland, toen was er volgens hem maar een
persoon in Nederland die deze opdracht aankon en dat was Richard Roland
Holst. Richard Roland Holst was een toonaangevende kunstenaar en
glazenier en werkte samen met het atelier van Bogtman in Haarlem voor
het realiseren van de glas in loodramen.’ Maar ook de andere kunstenaars
die Slothouwer aantrok, zoals meubelmaker Willem Penaat en de
beeldhouwers Anton Fortuin en Ludwig Wenckebach, waren volgens Kralt de
besten in hun tijd. ‘Dat zeg ik ook aan het eind van het boek, dat het
mede zo mooi is geworden omdat de kerkvoogdij de goede mensen heeft
aangetrokken die rekening hielden met de kunststromingen in die tijd en
er bij de restauratie ook voor zorgden dat het paste in een gotische
kerk uit de dertiende eeuw.’
Slothouwer kreeg te maken met de
verbouwing van de Domkerk die de Belgische-Nederlandse architect
Tieleman Franciscus Suys in de 19e eeuw had ontworpen en die was
uitgevoerd door de Utrechtse architect Christiaan Kramm. Suys had in
1826 een amfitheater in het koor van de kerk laten bouwen en aan de
westzijde van de kerk een ingangsportaal voor prominente kerkgangers,
wat in de volksmond de puist van Suys werd genoemd. Ook kreeg de Domkerk
in 1831 een nieuw orgel met gebruikmaking van ouder pijpwerk in een
nieuwe neogotische orgelkast, ontworpen door de firma Bätz. Bij de
restauratie van Slothouwer tussen 1921 en 1938 werden de meeste door
Suys aangebrachte onderdelen ongedaan gemaakt. Alleen het orgel bleef
gehandhaafd.
De minister De Visser van Onderwijs, Kunsten en
Wetenschappen stelde voor de restauratie van de Domkerk in 1921 een
staatssubsidie van 600.000 gulden beschikbaar. Kralt: ‘Dat zou nu zo’n
tien tot vijftien keer zoveel waard zijn en dat geeft wel aan dat de
Domkerk werd gezien als een belangrijk rijksmonument.’
Vervolgens
bleek echter dat de Domkerk er veel slechter aan toe was dan was
voorzien. Kralt: Daar kwamen nog de economische problemen in de jaren
dertig bij waardoor de restauratie deels werd stopgezet en met name de
restauratie van het exterieur van de Domkerk niet is afgemaakt. Bij de
eindafrekening van de restauratie in 1939 bleek het totale bedrag
900.000 gulden te bedragen. Pas na de oorlog, in 1968-1986, is de
restauratie afgemaakt.’
Bij de restauratie tijdens het
interbellum is men in 1922 begonnen met de afbraak van het amfitheater,
vertelt Kralt. ‘Daarbij kwamen zoveel gebreken naar boven, met
betrekking tot de verlichting en verwarming, dat men besloot om daarmee
te beginnen.’ Meubelmaker Willem Penaat kreeg de opdracht om een nieuw
interieur en bankenplan voor de Domkerk te ontwerpen. Penaat werkte
daarbij samen met de beeldhouwers Anton Fortuin en Ludwig Oswald
Wenckebach. De geplande twee grote glas in loodramen en drie
kleinere ramen vielen buiten het door de staat toegekende budget.
Daarvoor was volgens Kralt fondsenwerving nodig. ‘Voor het
evangelistenraam in het zuidertransept uit 1926 is, met succes, een
inzamelingsactie gevoerd. Het oudtestamentische raam in het
noordertransept, dat tien jaar later werd uitgevoerd, kon mede dankzij
twee anonieme giften tot stand komen.’
Toen Roland Holst de
opdracht kreeg voor het evangelistenraam, was hij hoogleraar en
directeur van de Rijksacademie van Beeldende kunsten in Amsterdam. Hij
vond volgens Kralt deze opdracht echter zo belangrijk dat hij later voor
het oudtestamentische raam gestopt is met zijn werk bij de
rijksacademie.
Voor alle vijf ramen werkte Roland Holst tussen
1926 en 1936 op het gebied van de thema’s nauw samen met de hoogleraar
godgeleerdheid Annéus Marinus Brouwer. Kralt: ‘Die twee mannen konden
het ongelooflijk goed met elkaar vinden. Holst schrijft aan zijn vriend,
de historicus Johan Huizinga, dat Brouwer een wijs man is. En toen
Holst in 1936 de opdracht kreeg voor het oudtestamentische raam, vroeg
hij of hij weer met Brouwer kon samenwerken. Holst was namelijk van huis
uit remonstrant maar daar deed hij niet meer zoveel aan en in Brouwer
vond Holst een bondgenoot en theoloog die hij allerlei theologische
zaken kon voorleggen. Op zijn beurt respecteerde Brouwer wat Holst er
uiteindelijk van maakte.’
Op 10 juni 1936 werden tijdens een
feestelijke bijeenkomst in de Domkerk het oudtestamentische raam en de
drie ‘alfa en omega’-ramen in het hoogkoor onthuld. Het was de bedoeling
om meer ramen in de Domkerk door Roland Holst te laten beglazen. Echter
door het overlijden van Roland Holst in 1938 en het uitbreken van de
Tweede Wereldoorlog is het daar niet meer van gekomen.