Martin
Voorn zit er bij of het hem allemaal niet aangaat. Onder zijn gladde
Toon Hermans-coupe glimmen twee donkere ogen. Op de revers van zijn
sportcolbert glinsteren vier insignes: twee van bromfietsen en de
andere van voetballen. Dat meldt het
Utrechtsch Nieuwsblad op dinsdag
25 augustus 1964.
Pa
zegt: 'Is het nou wel verstandig, dat Martin in de publiciteit komt?'
Mevrouw Voorn zegt: 'Ik heb altijd geweten dat Martin een goede
voetballer zou worden. Nog voordat hij geboren was...' En de
onverschillig glimlachende Martin doet ook een duitje in het zakje:
'Wat zegt het helemaal, als je twee goals maakt?'
Het
is allemaal vlug in zijn werk gegaan. Vorige week was Martin nog een
'ijskast-speler' voor Elinkwijk, vrijdag tekende hij na het
uiteindelijke fiat van meneer Voorn een echt contract, dat hem
toegang verleende tot de eerste divisie. Toen meteen in het
openingsnummer van de competitie. Martin debuteerde zondag tegen RBC
en fabriceerde twee doelpunten. 'Ze
hebben het allemaal te mooi gemaakt', oordeelt hij, 'die tweede goal
was klinkklaar geluk. De ene week heb je pech, de andere week kun je
de roos treffen.'
De
achttienjarige hbs-er is er allerminst kapot van. De ouders hebben er
meer weet van. Mevrouw zegt geestdriftig: 'Toen Martin zijn
doelpunten maakte, beleefde ik twee keer machtige momenten. Ik zag de
mensenmassa deinen, ik hoorde ze gillen van opwinding, en dat
allemaal door mijn zoon.'
Martins
vader, rustig en zakelijk, voegt er remmend aan toe: 'Ik wist dat hij
kon voetballen. Eigenlijk doet hij het al van zijn geboorte af. Toen
hij een peuter was, leerde ik hem met balletjes omgaan. Links of
rechts maakte niets uit. Ik ben zelf jarenlang voetballer van PVC
geweest. Op m'n vijfendertigste moest ik er door een voetbalknietje
een eind aan maken. Ik weet wat er in de wereld te koop is. Maar één
ding is zeker... de studie van Martin mag er niet onder lijden.'