Utrecht 60 jaar terug: een overval op het bijkantoor van de AMRO-bank aan het Smaragdplein

11 jun , 12:27Geschiedenis
overval
UN 11-06-1966
De gestolen gele Citroën, waarin de vier overvallers van het bijkantoor van de Utrechtse AMRO-bank aan het Smaragdplein zich vrijdagmiddag uit de voeten maakten, is teruggevonden in de gemeente Zeist. Twee uur na de overval - tegen half vijf - ontdekte een patrouille van de rijkspolitie bij Driebergen de gestolen auto met draaiende motor op de Traayweg valk bij de piramide van Austerlitz. Dat meldt het Utrechtsch Nieuwsblad op zaterdag 11 juni 1966 op de voorpagina.
Een intensieve speurtocht van de politie in het bosrijke gebied bleef zonder resultaat: van de inzittenden werd geen spoor gevonden. De daders moeten de overval tot in de finesses hebben voorbereid, want de plaats waar zij de auto achterlieten, wordt door de politie niet dagelijks bezocht.
In totaal werd f 119.172,01 ontvreemd, waarvan f 20.137, 39 in vreemde valuta. Tot dusver heeft het onderzoek van de Utrechtse politie weinig opgeleverd.
De overval op het AMRO-bijkantoor duurde slechts drie minuten.Een van de ooggetuigen, de 29-jarige leraar Nederlands A. Graafsma uit Utrecht, die op het moment van de overval geld inwisselde bij de bank, heeft het precies getimed.
Om half drie - een half uur voor sluitingstijd - zagen hij en de vier aanwezige bankemployés een man met een zonnebril het kantoor binnenstappen. ‘Ik stond te wachten op de caissière, die bezig was met het omrekenen van mijn geld’, vertelt de heer Graafsma. ‘Ik moet zondag naar een congres in Parijs en ik had Franse francs nodig. Plotseling stap die man op mijn af, drukte een pistool tegen m’n borst en zegt : Hands-up. Naar zijn accent te oordelen, zou ik zeggen dat ’t een Duitser was. Ik schrok me dood. Ik moest om de toonbank heenlopen. Op hetzelfde moment springt een tweede gewapende vent over de balie, ook met een zonnebril op. Toen stapte er een derde binnen met een doek voor zijn mond. De beheerder van de bank en ik moesten met ons gezicht naar de muur gaan staan. Een van de meisjes begon te gillen. Verder heb ik niets gezien dan een kalender aan de muur. Ik hoorde een ander meisje tegen die kerels zeggen: ‘Daar ligt het geld.’
Achter de rug van de leraar om greep het volgende plaats: de bezonnebrilde figuur, die over de balie was gesprongen, griste zoveel geld van de bureaus weg als hij maar te pakken kon krijgen. Hij stopte het geld in een grote zwarte plastic zak, die hij voor dit doel had meegenomen. De gemaskerde figuur tastte in de openstaande kluis, waar zich op dat moment alleen effecten bevonden. Deze werden niet meegenomen. Buiten stond intussen een vierde man op wacht.
De waarnemend beheerder van de bank, de 54-jarige H. van de Brink, heeft geen poging ondernomen de overvallers overmeesteren: de geldende voorschriften laten dit trouwens ook niet toe. Evenmin kon hij een alarminstallatie in werking stellen aangezien het bijkantoor hierover niet beschikt. De heer Mus van het hoofdkantoor van de Amsterdam-Rotterdam Bank had tegenover de heer Graafsma verklaard, dat de bank ‘uit principe’ niet beveiligd is ter bescherming van de employés. In de panieksituatie die een alarmschel zou veroorzaken, zouden de bankbedienden te grote gevaren lopen.
Na de bliksemoverval maakten de daders zich uit de voeten via ’n poort onder het zeshoge flatgebouw, op de parterre waarvan het bankkantoor is gevestigd. In de Citroën, die des nachts was gestolen van de heer Dimitropolos en die zij hadden geparkeerd op de Aquamarijnlaan, gingen zij er razendsnel vandoor.
loading

Loading articles...

Loading