Behoud Utrechts wervengebied is ‘vergeten burenplicht’

Boottochtje Oudegracht
Foto: utrecht.nieuws.nl

Er is met betrekking tot het Utrechts wervengebied sprake van een ‘vergeten burenplicht’. Het behoud van het erfgoed en de zorg voor veiligheid en waterdichte kelders staan bij zowel bij de gemeente als bij de eigenaren van de werfkelders voorop. Het is zaak dat men dit weer als een gezamenlijk belang gaat zien. Dat adviseert een Commissie van Wijzen voor het wervengebied in hun rapport dat vandaag is verschenen.

Op 1 maart 2021 heeft de–onafhankelijke –Commissie van Wijzen voor het wervengebied Utrecht (“de CvWW”) haar conceptadvies uitgebracht. De titel van dit stuk is: “De vergeten burenplicht”. De opdracht van de gemeente Utrecht en eigenaren in het wervengebied aan de CvWW is: het in kaart brengen van rechten en plichten van eigenaren van werfkelders en gemeente en het adviseren over mogelijke samenwerkingsvormen tussen hen.
De CvWW ziet een gebrek aan vertrouwen van de eigenaren in de gemeente. Twee aspecten springen eruit: het te zware verkeer over de grachten en de afhoudende opstelling van de gemeente bij scheuren en lekkages. In wezen zijn er echter geen inhoudelijke belangentegenstellingen. Het behoud van het erfgoed en de zorg voor veiligheid en waterdichte kelders staan bij iedereen voorop. Het echte probleem is dat men deze parallelle belangen niet steeds als een gezamenlijk belang ziet. Er is een “vergeten burenplicht”. In de unieke situatie van het Utrechtse wervengebied is de gemeente aan drie zijden de “buur” van de eigenaren van de werfkelders: door de wegen, de werfmuren en de fundering. Schade aan de kelders tast ook het erfgoed aan en is daardoor een zorg mede voor de gemeente. De CvWW komt tot aanbevelingen over de eigendommen, de daarmee verbonden rechten en plichten en de beste wijze van samenwerken tussen gemeente en eigenaren. De eigendomsverhoudingen liggen als volgt. De gemeente is de eigenaar en beheerder van wegen, werven, werfmuren, kade-, wal-en kluismuren (met de fundamenten daarvan), bruggen en bomen. De werfkelders behoren toe aan de eigenaren van de daarmee verbonden grachtenpanden. “Losse” kelders (wees-en spookkelders) zijn eigendom van de gemeente. Uit dit alles vloeien rechten en plichten voort. De gemeente moet te zwaar verkeer weren en zorgen voor een goede afvoer van hemelwater en zij moet haar eigendommen goed beheren en onderhouden. Deze zorgplichten zijn naast publiekrechtelijke taken “burenplichten” tegenover de eigenaren van de werfkelders. De eigenaren zijn verantwoordelijk voor goed onderhoud van hun werfkelders, maar schade door tekortschieten van de gemeente in háár taak komt voor rekeningvan de gemeente. Deze verantwoordelijkheden monden uit in “bewijsvermoedens”: bepaalde schades worden vermoed te zijn veroorzaakt door de gemeente, die mag bewijzen dat het in een concreet geval anders ligt. Zo’n bewijsvermoeden is op zijn plaats bij scheurschade in werfkelders, bijlekkages “van bovenaf” en bij schade ontstaan na aanleg of herstel van leidingen. De CvWW plaatst de samenwerking in het kader van het nabuurschap. Als de gemeente in het besef van haar burenplicht haar zorgplicht nakomt, voorkomt dat veel schade én worden de eigenaren als vanzelf goed en tijdig geïnformeerd en waar mogelijk betrokken. Daarvoor is een andere juridische samenwerkingsvorm in het geheel niet nodig. Van hun kant zijn de eigenaren in de positie om tijdig meldingen aan de gemeente te doen. Maar dan moet de registratie op orde zijn en moet er een structuur zijn om snel tot actie over te gaan. De CvWW beveelt de herintroductie van een werfmeester of keldermeester aan; een vooruitgeschoven post van de gemeente, iemand die het gebied en de mensen kent. Het noodzakelijke herstel van de werfkelders kan het beste plaatsvinden via een daarvoor op te richten stichting waarin eigenaren en gemeente, met een onafhankelijke voorzitter, samenwerken. De stichting kan met eigenaren overeenkomsten sluiten die zijn gericht op herstel. De eigenaren zijn vrij om daaraan mee

Reacties