
UTRECHT - Het begrip 'schimmel' heeft bij de leek zowel een positieve als negatieve associatie, afhankelijk van de vorm waarmee iemand te maken krijgt. Bij de TU Delft en Universiteit Utrecht wordt op geheel andere manier naar schimmels gekeken. Hier is een nieuwe ‘laag’ van schimmels blootgelegd.
“Schimmels brouwen ons bier en produceren belangrijke antibiotica. Je kunt er ook materialen van maken voor bijvoorbeeld isolatie en in de toekomst misschien zelfs kleding. Bovendien kunnen ze als brandstof dienen voor bioreactoren. In de vorm van paddenstoelen eten we ze zelf en omdat ze koolstof recyclen zorgen ze ook voor een gezonde bodem voor onze gewassen. Als pathogenen vormen ze echter een bedreiging voor onze gezondheid en kunnen ze een gevaar zijn voor de voedselveiligheid. Om schimmels in al deze verschillende omgevingen optimaal te benutten of te bestrijden, hebben we volledig inzicht nodig in hun functionele repertoire", aldusprofessor Marcel Reindersvan het Delft Bioinformatics Lab van de TU Delft.
Alternatieve splicing
Daarom startten Reinders en zijn collegaprofessor Han Wöstenvan de Universiteit Utrecht een onderzoek naar de producten van 'alternatieve splicing' bij schimmels. Alternatieve splicing is een proces in de cel waardoor één enkel gen verschillende eiwitten kan produceren, elk met zijn eigen functie. Hierdoor nemen de complexiteit en functionaliteit van het genoom toe.
"Afwijkende alternatieve splicing, of mutaties in de producten van alternatieve splicing, zijn in verband gebracht met kanker, autisme en ernstige ontwikkelingsstoornissen, zowel bij muizen als bij mensen. Maar ondanks die grote gevolgen voor zoogdieren, is alternatieve splicing in schimmels nauwelijks onderzocht", aldus Reinders.
Duizenden extra producten
Voor hun onderzoek naar de functionele gevolgen van de producten van alternatieve splicing in schimmels, gebruikten de onderzoekers Schizophyllum commune als model. Hierbij vonden ze bewijs dat wijst op duizenden extra producten, méér dan bij enige andere onderzochte schimmel. Deze alternatieve producten functioneren mogelijk als belangrijke regulatoren die voedingsstoffen verwerken.
Bron: Universiteit Utrecht