UTRECHT - Vier mensen, onbekenden van elkaar, in een stiltecoupe. Een trekt zijn telefoon uit zijn broekzak en begint luidruchtig een gesprek. Heel irritant, voor de overige drie. Maar wie grijpt in?
Socioloog Wojtek Przepiorkavan de Universiteit Utrecht weet wanneer de kans het grootst is dat er ingegrepen wordt door een van de drie: "Als er asymmetrie is. In dit geval: als een van de drie anderen bijvoorbeeld een grote gespierde man is. Dan wordt dat niet alleen van hem verwacht door de andere twee; hij zál vaak ook degene zijn die ingrijpt."
Het is een bekend sociaalpsychologisch fenomeen, het zogenoemde diffusion of responsibility. Er heerst verwarring over de verantwoordelijkheid bij ongewenst gedrag, waardoor niemand ingrijpt. Uit het experiment van de Utrechtse socioloog, dat is gepubliceerd in Scientific Reports, blijkt dat die diffusion of responsibility vooral optreedt bij symmetrie. "Asymmetrie breekt dat fenomeen", zo concluderen Przepiorka en medeauteur van het artikelAndreas Diekmann. Przepiorka komt tot deze conclusie door een experiment: een zogenoemde public goods game . Daarbij krijgen deelnemers virtueel geld toebedeeld. Dit bedrag moeten ze proberen te verhogen. Bijvoorbeeld door te stelen van elkaar of juist door samen te werken. De rijkdom van de een gaat hierbij ten koste van een of meer anderen.
Experiment
In zijn variant van de public goods game
zag de Utrechtse socioloog dat in een groep van vier, waarbij een als dief optrad, gestolen geld eerder werd teruggeëist als een van de drie benadeelden als ‘sterker’ werd aangemerkt. Przepiorka: “Dat ging als volgt: de benadeelden konden het geld terugeisen, maar dit zou hun geld kosten. In ons experiment maakten we dit terugeisen voor een van de drie goedkoper dan voor de andere twee benadeelden.” Voor speler 1 was het bijvoorbeeld goedkoper om het geld terug te eisen dan voor speler 2 en 3. Dat wisten zij ook van elkaar. Zonder overleg gaan speler 2 en 3 ervanuit dat speler 1 het gestolen geld terugvraagt. En speler 1 voelt zich daar ook verantwoordelijk voor: veelal was hij degene die op de knop 'terugeisen' drukte.
Het vervolg van het experiment richtte zich meer op de handelswijze van de dief. Przepiorka: "In ons eerste deel kon de dief altijd kosteloos, ofwel ongestraft, zijn gang gaan. Maar in het tweede deel ging het stelen hem geld kosten als de benadeelden hun geld terugeisten." Wat bleek? Vooral in een asymmetrische situatie was de dief minder snel geneigd tot stelen. “Het blijkt dus dat in een kleine setting waar normoverschrijdend of ongewenst gedrag kan optreden één persoon aangewezen moet zijn om eventueel in te grijpen." De 'dief' zal dan minder snel overgaan tot het normoverschrijdende gedrag. En mocht hij dit toch doen, dan zal deze ene aangewezen persoon vaak ingrijpen.