Drs.J.C. Heytze, Calderonlaan 29-1 in Oog-in-Al, heeft voor het sociologisch instituut van de Utrechtse rijksuniversiteit een verkennend onderzoek ingesteld naar bergrecreatie. Het onderzoek is tot stand gekomen met financiële medewerking van de rijks planologische dienst en gedeputeerde staten van Zuid-Holland. Dat meldt het
Utrechtsch Nieuwsblad op donderdag 3 maart 1966.
Enkele conclusies van dit onderzoek zijn onder meer dat de bergrecreatie in belangrijke mate mede wordt bepaald door de behoefte naar het snelverkeer te kijken. Voorts speelt bij dit recreatiepatroon een rol dat de wegberm makkelijk vanaf de verkeersweg bereikbaar, dat er voldoende ruimte aanwezig is om de parkeren en dat er een toegankelijk achterland is, zodat de recreant zelf de afstand tot de weg kan bepalen. Ruimte en gelegenheid tot het bedrijven van verschillende vormen van openluchtrecreatie , zoals spelactiviteiten of het dagkamperren zijn factoren die eveneens van invloed zijn.
Drs. J.C. Heytze verzamelde het studiemateriaal door middel van een enquête onder automobilisten in de zomer van 1964, op zondagen waarop de weersomstandigheden voor openluchtrecreatie gunstig waren. Er zijn gesprekken gevoerd met mensen in de berm, het bos en op picknickplaatsen die liggen in Het Gooi, de streek van de Utrechtse heuvelrug en in het poldergebied van Zuid-Holland de Krimpenerwaard.
Bermrecreatie in zuivere vorm is aangetroffen langs rijksweg 1 vanaf het kruispunt Laren richting Baarn, een gebied dat bekend staat als de Witte Bergen. Ruim 80 pct. van de geënquêteerden op dit punt richtte zijn aandacht op de verkeersweg, waar tijdens de middaguren ongeveer 1600 auto’s per uur passeren. Ruim de helft van de recreanten, die zijn ondervraagd, zat maximaal 20 meter van de weg, ondanks het feit dat er ruime gelegenheid was om verder het terrein in te gaan.
Bijna 80 procent van de toeristen in de berm Witte Bergen had kampeermeubiliair meegenomen, 20 procent beschikte over een tent. Ook op andere terreinen, die bij het onderzoek waren betrokken is geconstateerd dat de automobilisten door het meenemen van allerlei attributen, meestal kampeermeubilair, ook tenten en kooktoestellen, min of meer selfsupporting waren.
Uitgaande van het feit dat de bermrecreatie aan afkeurende kritiek onderhevig is, ging dr.s Heytze na hoe bij de geënquêteerden de beeldvorming was van het verschijnsel bermrecreatie en hoe deze beeldvorming tot stand was gekomen. De televisie bleek hierbij ’n grote rol te hebben gespeeld. Ook aan de kranten was veel informatie ontleend. Luchtverontreiniging en verkeersonveiligheid waren de voornaamste argumenten tegen de bermrecreatie.
In het algemeen konden alle in het onderzoek betrokken automobilisten het wel eens zijn met de afkeurende kritiek die er op de bergrecreatie wordt uitgeoefend. De bermrecreanten Witte Bergen eveneens van de 75 procent die op de hoogte was van de afkeurende kritiek, die via de publiciteitsmedia doorkomt, verklaarde ruim 80 procent het hiermee eens te zijn.