De Utrechtse badhuizen boeren niet best. De heer W. Loos, directeur van de Utrechtse Stichting voor Badhuizen, verwacht voor volgend jaar een exploitatietekort van 350.000 gulden. ‘Er komt‘, zegt hij somber, ‘ongetwijfeld een moment dat de gemeente zich gaat afvragen of het nut nog wel opweegt tegen de enorme kosten.’ Dat meldt het
Utrechtsch Nieuwsblad op maandag 8 augustus 1966.
De Utrechtse badhuizen trokken in 1965 bijna 415.000 klanten, 34 procent minder dan in in 1955. Het ziet er naar uit dat het bezoek, dat sinds het topjaar 1955 steeds teruggelopen is, zich nu zo zachtjes aan gaat stabiliseren. Dat is mede te danken aan de buitenlandse arbeiders, die goede badhuisklanten zijn. Het badhuis in de Kanaalstraat draait zelfs voor twintig procent op buitenlanders.
Wanneer de vermindering van het badhuisbezoek gelijke tred hield met de toename van het aantal douches in woningen dan zou de heer Loos over het teruglopen van de belangstelling voor zijn inrichtingen niet somber mogen zijn. De badhuizen bestaan bij de gratie van het gebrek. Wanneer dat gebrek wordt opgeheven verliest het badhuis zijn zin. Niemand mag daar over treuren.
De heer Loos meent echter te constateren dat het badhuisbezoek veel sneller vermindert dan het aantal particuliere douches stijgt. ‘Er is een gedeeltelijke terugkeer naar de teiltjesgeest’, zegt hij. ‘Veel mensen die thuis geen douche hebben, kunnen het om wat voor reden dan ook niet meer opbrengen om naar het badhuis te gaan. Ze poedelen zich weer net als vroeger in een teiltje.’
Graag zou de heer Loos door middel van een enquête willen uitzoeken hoe de kaarten nu precies liggen: in hoeveel procent van de huizen douches zijn; wat de mensen er van weerhoudt naar het badhuis te gaan?
Volgens sommigen remt het grote bezoek van de buitenlandse arbeiders de animo van de Nederlanders. Of dat zo is weet de heer Loos niet met zekerheid. Maar mocht het waar zijn dan is dat een nare zaak. ‘De buitenlanders gedragen zich niet slechter of beter dan de Nederlanders’, aldus de badhuizendirecteur. ‘Onder elk volk heb je vogels van diverse pluimage.’
Dat er al zoveel douches in particuliere woningen zijn dat het badhuis al bijna overbodig is wil er bij de heer Loos gewoon niet in. Op zijn kantoor in het badhuis aan de Kanaalstraat in de wijk Lombok zegt hij: ‘Veel huizen in deze wijk lenen zich absoluut niet voor plaatsing van een douche. Als hier in twintig procent van de woningen een douche is dan is het veel. Wanneer alle mensen uit woningen zonder douche één keer per week bij mij zouden komen dan puilde dit badhuis van maandag tot zaterdag uit. Maar we puilen niet uit. Alleen vrijdags en zaterdags loop het hier goed, tenminste als het redelijk weer is. Komt er echter een flinke onweersbui dan zie je vrijwel niemand, ook niet als het al lang weer droog is.’
Aan de badhuizen zelf kan het niet liggen. Ze zijn van binnen grondig gemoderniseerd en worden voortreffelijk schoon gehouden. En de prijs kan het publiek ook niet weerhouden. Wie een knipkaart neemt kan voor een dubbeltje 25 minuten onder de warme douche staan. Thuis kost het aan gas of stroom aanmerkelijk meer.
Al is er dan hier en daar een terugkeer naar het teiltje, in andere opzichten is er wat de lichaamshygiëne betreft in Nederland toch wel vooruitgang geboekt, meent de heer Loos, die er aan herinnert dat het dankzij keukengeisers en boilers veel gemakkelijker is geworden thuis te poedelen. Maar nog altijd komt het voor dat mensen die in een ziekenhuis worden opgenomen eerst een uurtje in de ‘week’ moeten worden gezet. Het badhuis, gesticht om de waterbeschaving te bevorderen, mag dan niet meer zo in tel zijn, bestaansrecht heeft het nog altijd.