In
een rede, die burgemeester De Ranitz onlangs hield bij het afscheid
van het bestuur van de gemeentelijke instelling voor maatschappelijke
zorg te Utrecht, vermeldde hij ook enige merkwaardige gebruiken uit
de Stadsaalmoezenierskamer, die goed drie eeuwen heeft bestaan en in
het begin van de jaren dertig van deze eeuw overging in een
zelfstandig ambtelijk apparaat, dat als een gemeentelijke dienst voor
maatschappelijk hulpbetoon werd georganiseerd. Dat meldt het
Utrechtsch Nieuwsblad op maandag 18 januari 1965.
De
oude Stadsaalmoezenierskamer verdeelde de stad Utrecht in zestien
'quartieren'. Een college van regenten bestond uit zeventien man: een
voor elk kwartier plus een boekhouder. Iedere regent liet in zijn
kwartier elke zondagmorgen na de preek een collecte houden. Tot het
instellen van deze kerkelijke collecte was het besluit genomen door
de stedelijke vroedschap, die de meergegoeden vermaande naar vermogen
te geven, ''t welck Gods moeder Maria duysentfout sal vergelden'.
Altijd
waren de inkomsten onvoldoende. De regenten zagen zich vaak
genoodzaakt, evenals de diakenen van de hervormde (gereformeerde)
kerk, het ontbrekende zelf voor te schieten.
Maar
- en nu komt een merkwaardig gebruik, dat wellicht in deze tijd ook
zou kunnen worden toegepast om vergaderbezoek te stimuleren - men
had eigen inkomsten: de boetes, die aan regenten werden opgelegd.
Voor alles en nog wat kregen zij een geldstraf opgelegd. Voor het
wegblijven van een vergadering: boete. Voor te laat komen: boete.
Voor.... te vroeg weggaan: boete.
Ook
onoplettendheid in de vergadering werd gestraft, maar niet zó
zwaar: 'Wie niet en weet wat er gevraecht wort, verbeurt 1 stuiver'.
Al
die kosten moesten uit eigen zak betaald worden. Pas later, in het
begin van de achttiende eeuw, kregen de regenten tegenover deze
lasten het genot van enkele lusten. Zo werd hun vrijstelling van
schuttersplicht verleend, en - in 1722 - vrijdom van poortgeld. In
1742 ging men de regenten zelfs een jaarlijks bedrag van 500 gulden
uitkeren, voor de kosten van de maaltijden, welke aan het afleggen
der rekening waren verbonden.
Ja,
het werd wat aardiger. Die maaltijden gingen ook wel eens gepaard met
een excursie. Zo werd in 1745 gewag gemaakt van een afspraak om op
een julimorgen om zeven uur aanwezig te zijn op de Weerd om plaats te
nemen in de schuit en dan 'tot Loenen te gaan om een visje te eten'.
Maar
in het algemeen bleven de voorrechten van de regenten, althans in
verhouding tot hun verplichtingen, maar gering. Zo werd in 1787 een
verzoek hun een bank in de Domkerk toe te staan, door de vroedschap
afgewezen.
Bij
hun werk hadden de regenten maar weinig steun. Niemand dacht aan de
bijstand van een ambtelijk apparaat. De boekhouder was een der
regenten, die van andere taken was vrijgesteld. Pas later is er
sprake van 'boden en bodinnen', die allerlei speurdersdiensten hadden
te vervullen. Oorspronkelijk werden bedeelden met deze functie
belast. In 1726 echter kregen de boden en bodinnen een salaris.
De
stedelijke overheid bleef kritisch toezien. Het feit dat de stad het
werk van de kamer met subsidie moest steunen, leidde tot allerlei
ingrijpen. Men was altijd bang dat de bedeling een sleur was geworden
en dat er dus te veel werd uitgegeven. Aldus de heer De Ranitz in
zijn rede bij het afscheid van de gemeentelijke instelling voor
maatschappelijke zorg, welke tot het verleden ging behoren in verband
met het in werking treden van de algemene bijstandswet.