Het was in de eerste oorlogsjaren dat een 14-jarige Utrechtse jongen zich plotseling aangetrokken voelde tot de duivensport. Die 14-jarige jongen uit de Mijdrechtstraat was Piet Verheul, die iedere dag met een scherpe blik de wilde duiven volgde, die zich nestelden in de hoge nissen van de St. Gertrudiskerk aan de Amaliadwarsstraat. Dat meldt het
Utrechtsch Nieuwsblad op donderdag 31 maart 1966.
Piet Verheul was zich toen nauwelijks bewust van het feit, dat de bezetters de duiven als ongewenst bezit beschouwden. Maar de duiven van de St. Gertrudisparochie hadden op hem een grote aantrekkingskracht. Zo groot zelfs, dat Piet op een dag van het jaar 1941 tegen de regenpijp van de kerk opklom en tussen de gewelven van de kerk zich een paar duiven toe-eigende.
‘Er waren Hollandse en Belgische duiven bij’, zegt hij nu. ‘Ik kon dat zien aan de ringen.’ Het bleken dus echte vliegduiven te zijn, die zoals zovele anderen nooit meer de weg naar hun home hadden gevonden en hun verdere leven maar in de vrije natuur gingen slijten.
Piet Verheul werd er toen snel van doordrongen dat de Duitsers het niet wilden hebben dat men duiven hield. Zij waren immers goede berichtgevers. Toen een verzetsman zijn duiven bemerkte, was dat ook snel het geval. Zijn duiven werden door het verzet gebruikt en brachten steeds hun berichten naar Mijdrechtstraat 45. Er kwam wel eens een razzia in de buurt, maar Moe Verheul was dan zo slim de duiven in een sloop te stoppen en de sloop aan een kapstokhaak op te hangen. Een jas er overheen voorkwam het koeren…
In ’45 lekte het uit. Zijn buurman bracht trouw voedsel voor de duiven mee, maar de veldgendarmerie was de goed man op het spoor gekomen en ontdekte de duiven. Piet Verheul moest zijn duiven weg doen. Hij gaf ze aan een goed kennis, die ze zou verzorgen. Piet Verheul zou echter zijn vogels nooit meer terug zien. De man at ze van de honger op.
Diezelfde Piet Verheul, die in 1941 escapades uithaalde om duivenbezitter te worden, is nu nog duivenhouder en zelfs uitgegroeid tot één van de meest bekende in Utrecht. In ’45 begonnen met postduiven, startte hij een jaar later als lid van de UPV De Zwaluw met jonge duiven. Tot ’63 bleef hij bij deze vereniging en trok daarna naar de UPV De Ooievaar, waarvan hij sinds kort voorzitter is.
Lange tijd heeft hij in combinatie gevolgen met Molenaar, waarbij er 17 jaar kampioenschappen uit de bus kwamen. Momenteel vliegt hij de Utrechtse duivenliefhebber met het ras Jansen-Arendonk (België), één van de beste rassen. De Delbars, die hij zich in ’62 aanschafte - ook een bekend ras- bracht hem geen geluk.
In zijn woning aan de Griftstraat heeft hij drie keurige ingerichte hokken, een weduwschaphok met 10 weduwnaars, een nesthok met 20 nestduiven en een hok voor de jonge duiven. Al die duiven zijn aan de zorgen toevertrouwd van zijn vrouw, die de 40 vogels stuk voor stuk herkent, de hokken schoon houdt, de vogels voedert en zelfs alleen met de jongen aan de wedstrijden deelneemt. Piet Verheul zelf vliegt meer weduwschap en nestspel.
‘Duiven houden en opfokken is mijn lust en leven’, zegt mevr. Verheul. ‘Als ze nog in de schaal zitten en aanpikken, haal ik ze er wel eens uit; je helpt ze na 22 à 23 dagen, wanneer ze van de ouden afgaan, naar de drinkbak en geeft ze voer. Het is alsof de vogels voelen dat je goed voor ze bent. Ze zijn dan ook zo mak dat ze rustig uit de hand eten.’
Een frappant voorbeeld hiervan is de lieveling van het gezin. Een duivin van ’60, die op de schouders komt zitten, rustig mee gaat de trap af naar de huiskamer en daar ’s avonds uren door kan brengen. Dit troetelkindje van de familie neemt zoon Piet jr. ook wel eens mee naar school. De vogel heeft overigens nog nooit aan wedstrijden deelgenomen. Men wil haar in de Griftstraat 4bis voor geen geld verspelen.
De beste vogel van ‘stal’ Verheul is overigens de in Utrecht zo bekende 97, afkomstig van Henk Pijnenburg (Hoograven), en ex-eigendom van Jan Kooijman, die de vogel moeilijk kon wennen. De 97 is de beste doffer van de Verheul’s. Het vorig jaar nog bracht hij zeven keer een guldenpoule binnen.
Hij is nog steeds de uitblinker, maar ook de andere vogels munten uit door kwaliteit, door hun krachtig beenderstelsel, zachte pluim, soepele spieren en prachtige ogen, waar de wilskracht uit straalt. Het zijn ‘raspaarden’ bij uitstek.
Piet Verheul is nu met de honderden andere Utrechtse duivenhouders druk doende met de kweek. Straks als de jongen voor het eerst hun vleugels uitslaan, begint het spel, korte trainingsvluchtjes vanaf Houten en dan in juni de africhtingsvluchten. ‘Een duivenhouder moet geduld hebben en vooral teleurstellingen kunnen incasseren. Je moet de sport niet beoefenen om er winst uit te slaan, want het is een mooie maar dure hobby’, zegt hij.
Piet Verheul heeft zijn hart aan de duiven verpand. Maanden van intensief kweken staan voor de deur, dan volgens de vluchten en kan men het echtpaar in de Griftstraat ’s zaterdags en ’s zondags druk doende zien, bij het vallen van de vogels op de slag. Het is een vrijetijdsbesteding die veel vergt, maar waarbij de spanning nog veel meer vergoeden zal.