De vermoedelijk meer dan 120 buitenlandse arbeiders, die een onderdak hebben gevonden in het pand Oudegracht 234 in Utrecht zullen vóór 15 augustus een ander onderkomen moeten zoeken. Op last van het gemeentebestuur van Utrecht moet de eigenaar van het pand, de heer R. Ruitenbeek te Apeldoorn, de logeergelegenheid uiterlijk 15 augustus sluiten. Dat meldt het
Utrechtsch Nieuwsblad op maandag 18 juli 1966.
Het pand zal nu voor de tweede maal op last van de overheid worden ontruimd. Vorig jaar besliste de kantonrechter te Utrecht dat de tachtig buitenlanders, Marokkanen en Turken, het huis moesten verlaten. De Apeldoornse eigenaresse mevrouw P.M. Ruitenbeek-Bonouvrie, had ’n kort geding aangespannen tegen de huurster, mevrouw S.M. van Soolingen-Verweij uit Lopik. De hotelhoudster uit Apeldoorn had bezwaar tegen het huisvesten van buitenlandse arbeiders in haar huis te Utrecht.
Toen het pand ontruimd was, druppelden geleidelijk aan weer Turken en Marokkanen binnen. De Apeldoornse mevrouw Ruitenbeek liet het niet alleen toe, zij nam ook een huisknecht in dienst die ongewenste kijkers op grote afstand van het mensenpakhuis hield.
Na een onderzoek van de politie en afdeling huisvesting van de gemeente Utrecht, moest de eigenaresse van het pand een logeervergunning aanvragen. Dit verzoek heeft het gemeentebestuur nu afgewezen.